Brood voor volk der ‘gefaalden’

DOOR MARJON BOLWIJN
oorspronkelijk gepubliceerd op 

De armoede neemt toe. Al 23 jaar bezorgt de 84-jarige Gerrit Poels midden in de nacht brood bij de hulpbehoevenden van Tilburg. Elke nacht, weer of geen weer, stapt hij om 2 uur op zijn fiets. ‘Het lost niks op, maar deze mensen moeten weten dat ze worden gezien.’

Daar fietst hij, midden op de uitgestorven weg met een felle lamp voor en achter op zijn overladen fiets. Een baret bedekt zijn dunne witte engelenhaar, twee truien en een winterjas beschermen de kleine man met zijn olijke gezicht tegen de vochtige kou. Hij trapt zich traag een weg door de stille nacht. De heldere sterrenhemel zal zijn aandacht niet krijgen. De ‘broodpater’, zoals Tilburgers de lang geleden uitgetreden priester noemen, concentreert zich ingespannen op het glanzende asfalt. Gerrit Poels (84) is slechtziend, daarom verkiest hij in de duisternis brede banen voor het autoverkeer boven smalle fietspaden.

Drie minuten na aanvang van zijn tocht komt een auto met felle koplampen recht op hem af rijden. Poels blijft onverstoorbaar zijn trage koers midden op de weg houden. De auto wijkt op het laatste moment uit. Nog twee keer deze zaterdagnacht zal de eenzame fietser op een haar na aan een aanrijding ontsnappen.

Een scooter of auto wil hij niet. ‘Ik ben niet technisch, en kom uit een milieu waarin alleen de rijken een auto hebben.’ En bij de rijken heeft hij zijn lange leven niet willen horen. Hij koos voor een bestaan tussen de armen.

Het doel deze nacht zijn vijftien adressen verspreid in West, een uitgestrekte wijk waar de meeste armen van Tilburg wonen. Voor ieder heeft Gerrit Poels een plastic tas gevuld met broden, en als extraatje deze keer een pakje gesneden kipfilet. Een donatie van een vleesfabriek in België. De broden zijn twee dagen oud, geschonken door bakkers die hij elke ochtend om half 8 afgaat, meteen na thuiskomst van zijn nachtelijke tocht door de stad. De tassen voor de volgende nacht maakt hij zodra de oogst binnen is meteen klaar, want overdag zal het er niet van komen. Dan zamelt hij ander voedsel, speelgoed en tweede- handskleding in, die hij ‘s middags in zijn kleine achtertuin uitdeelt. Ook houdt hij dan een druk bezocht spreekuur voor wie overhoop ligt met of de weg wil weten naar instanties. Zo’n honderd mensen per dag komen bij hem langs. Sommigen alleen om eens een flink potje bij hem uit te huilen.

Instanties
Er staan 650 armen ingeschreven bij zijn stichting Broodnodig. Twee jaar geleden waren het er nog 150. ‘Armoede neemt schrikbarend toe.’ Bij officiële, bureaucratische instanties als de Voedselbank voelt Poels zich niet thuis. Liever doet hij alles op zijn eigen eigenwijze manier. Zoals zijn nachtelijke expedities.

Na een kwartier fietsen zet Gerrit Poels zijn fiets tegen de hoekpunt van een flatgebouw. Hij selecteert een tas en schuifelt ermee naar een appartement op de begane grond. ‘Hier woont een 40-jarige bijstandsmoeder met haar zoon. Maatschappelijk werk tipte mij dat ze niet kan rondkomen. Ik ben wel eens gebeld door buurtgenoten die beweren dat de broodontvangers oplichters zijn en het eten aan de vogels voeren. Ik stop pas met bezorgen als iemand mij zelf zegt dat het niet meer hoeft. Als ze de broden aan de vogels geven moeten zij dat zelf weten.’

Hij hangt de zak aan de deurklink en keert terug naar zijn bakfiets. Al redevoerend: ‘Er wordt vanuit de politiek zo’n troep onrechtvaardigheid over deze mensen uitgestort. Ze worden naar de arbeidsmarkt gejaagd: werk, werk, werk. Sommigen kunnen niet werken door psychische of verslavingsproblemen, analfabetisme, anderen willen wel maar waar zijn de banen? De laatste jaren zie ik steeds meer mensen die ooit een goed betaalde baan hadden in armoede vervallen. Deze week kwam een man van 61 jaar bij mij langs. Hij heeft zijn hele leven gewerkt, is vorig jaar zijn baan kwijt geraakt en leeft van een WW-uitkering. Wegens betalingsachterstanden is beslag gelegd op zijn inkomsten. Hij houdt twee tientjes per maand over om van te leven. Deze man heeft honger.’

Vriespunt
Steppend maakt Poels vaart met zijn fiets. Op naar het volgende adres van ‘een hongerlijer’, zo’n twee kilometer verderop. Het begint mistig te worden, de temperatuur daalt tot nabij het vriespunt. Poels draagt sandalen met dunne sokken, houdt met blote handen zijn stuur vast. Op het volgende adres woont een moeder met twee jonge kinderen. De broodpater parkeert zijn fiets zo’n dertig meter van haar rijtjeshuis. ‘Dat doe ik om niet op te vallen. De meeste mensen schamen zich voor hun armoede. Daarom kom ik ‘s nachts.’

Hij kent elk verhaal achter de gevel van alle zeventig adressen die hij verspreid over de week ‘s nachts bezoekt. Op een enkele uitzondering na zijn het ‘halve gezinnen': alleenstaande moeders met twee tot zes kinderen van Nederlandse, Ghanese, Turkse, Marokkaanse en Ethiopische origine. Vrouwen die alleen verder gingen na een echtscheiding of de dood van hun man. ‘In het huis waar ik nu naartoe ga woont een Turkse vrouw met haar drie kinderen, een is zwaargehandicapt. Haar man overleed 15 jaar geleden aan kanker. Zij heeft geen tijd om naar mijn voedseluitdeling te komen. Bij dit gezin kom ik al 20 jaar.’

Soms vraagt Poels zich af wat voor zin zijn werk heeft. Al 23 jaar is hij 17 uur per dag in touw voor wat hij noemt ‘de gefaalden, de uitgestotenen in onze samenleving’. Slapen doet hij van half 7 ‘s avonds tot 1 uur ‘s nachts. Een vast ritme dat hij al bijna een kwart eeuw aanhoudt. ‘Ik merk ieder dag dat het fysiek zwaarder wordt. Als ik naar bed ga, strompel ik uitgeput de trap op.’ Over zijn nachtelijke tocht doe hij een uur langer dan een jaar geleden. Aan stoppen durft hij niet te denken. Want niemand zal het van hem overnemen. ‘Ik weet dat ik hier niets mee oplos. Het gaat mij er om dat deze mensen weten dat ze worden gezien.’

Gerrit Poels Tilburgs broodpater