De broodpater voedt in stilte arme kant Tilburg

door Jeroen Thijssen
oorspronkelijk gepubliceerd op 15 juni 2011 in Trouw

Elke nacht fietst Gerrit Poels zijn dertig kilometer door de stad, om brood te brengen bij hen die er niet om durven vragen. Pater Poels ‘is niet uitgetreden maar doorgelopen’.

Gerrit Poels is klein van stuk maar groot van formaat. Zijn stem en gebaren vullen de Tilburgse woonkamer, hij straalt in de leren bank die duidelijk van de kringloop afkomstig is. Vijfentachtig is hij, maar nog iedere nacht brengt hij, op de fiets, het brood rond dat hem zijn bijnaam heeft opgeleverd: de Broodpater. Dat moet ‘s nachts, omdat veel mensen zich voor hun armoede schamen. “Sommige dingen kunnen het daglicht niet verdragen”, zegt hij. Overdag halen zo’n honderd gezinnen die zich minder schamen het brood op in zijn achtertuin.

Het is een mooie illustratie van zijn uitspraak: “Ik ben geen hulpverlener, ik help.”

“Dat is nogal eens verkeerd begrepen”, zegt Poels. “Wanneer iemand in nood binnenkomt, staat hij meestal niet meteen open voor een gesprek. Daarom beperkten wij ons tot bad, bed en brood. Als de persoon toegankelijk was knoopten we een gesprek aan. Wie ben je, wat wil je. Snel daarna gingen ze door naar de hulpverlenende instanties. Ze mochten blijven zolang als nodig was, maar niet te lang.”

Ze, dat zijn alle mensen die het moeilijk hebben. En dat zijn er nogal veel in 1968, wanneer Gerrit Poels met ‘zijn’ opvang begint. “Hulpverleners van toen vertoonden zo’n afzijdigheid, we moesten iets doen. Dat is mijn formule: we moeten wezenlijk iets doen. Dus boden we de eerste behoeften, zonder iets te vragen of te willen.”

En dat alles zonder opleiding voor dit specifieke werk. Poels: “Dat zit in heel mijn werk, een gebrek aan ‘verstand hebben van’. Het is godsonmogelijk om alle regels in de hulpverlening bij te houden. Mijn alibi: ik leer door te doen, vaak mijn kop te stoten. Dan leer je het best.”

Hij moppert wat op de officiĆ«le instanties: “Het wordt steeds moeilijker om gewoon te zijn. Het is vergeven van de regelgeving, er is dwaasheid en onkunde tot op het hoogste niveau.”

Nu lacht hij er luid om, en hoofdschuddend. Toch ziet hij zichzelf niet als voorbeeld, en zeker niet als norm. “Ik zou gek worden als ik werk zo serieus nam dat het normgevend zou moeten worden. Ik ben niemands norm.”

Het directe werk begint voor de pater in de jaren zestig, de wortels zitten nog dieper, in de Tweede Wereldoorlog. “In 1961 ging ik op seminarie bij de Fraters van Tilburg. Ik heb daar vreselijk heimwee gehad, en dat, gecombineerd met de bittere ervaringen van de oorlog, heeft me gevormd.” Zijn ogen werden geopend voor de kwetsbaarheid van de mens en zijn afhankelijkheid van anderen.

De ervaringen op het seminarie zijn niet alleen maar negatief. “Ik genoot toch van de culturele vorming, de taal, de grootsheid van het denken.” Het vormt hem. “Van nature was ik een stil, verlegen jongetje. Door het groepsleven trad ik meer naar buiten. Bij de opleiding tot prediker ontwikkelde ik een mondfiat, een welbespraaktheid, die me tot veel gevraagd persoon op feestjes maakte. Mijn latere lessen waren ook altijd feest.”

Na het seminarie studeert Poels theologie en wordt leraar op zijn eigen seminarie. Het is niet zijn eigen idee. “Ik voelde mij aangetrokken tot de missie, ik wilde missionaris worden. Dat werd mij niet toegestaan, maar ik kreeg ook geen andere taak. Op een dag werd ik naar een leslokaal geroepen. Iemand zei: Jij moet hier leraar worden.”

Het leraarsvak ligt hem wel. Altijd feest in zijn les, maar er wordt wel gewerkt. “Ik had het in de hand.”

De seminaries lopen leeg, ook dat van Poels. Zo komt hij terecht op de kleuterleidstersopleiding, als godsdienstleraar. “Zie tweehonderdveertig meiden maar eens voor godsdienst te interesseren.” Dus spreekt hij, in de geest van de tijd en van zijn karakter, al snel over sociale problemen. “Daarover kreeg ik het al snel met de directeur aan de stok. Ik moest het katholieke geloof stimuleren, niet er afstand van nemen.”

Het afscheid van de kerk volgt niet veel later. Het past opnieuw bij de tijd en bij zijn karakter. “Het was een glijdende schaal. Angeliek, mijn vrouw, zegt: Wij zijn niet uitgetreden maar doorgelopen. Zo is het. Ik was toen al met dit werk bezig, en daar hing het mee samen. Ik wil doen wat ik wel kan, en niet doen wat ik niet kan.”

En organiseren, fondsen lospeuteren, mensen enthousiasmeren, dat kan Poels. In 1968 ontstaat uit het niets ‘Huize Poels’, het eerste van drie opvanghuizen die Poels is begonnen. Gerrit trouwt met Angeliek, samen voeden ze zes pleegkinderen op en huisvesten beschadigde, soms psychotische mensen, alles volgens het Poels-systeem: bad, bed, brood. “Er kwam leven tevoorschijn bij mensen die eerst niet bestonden. Ze merkten dat ze erbij hoorden, ze gingen denken, ze voelden ons bestaan als een bezielde band.”

Twintig jaar leiden ze samen Huize Poels. Dan ontstaat de noodzaak aan professionalisering. “Er moest subsidie komen, je kunt niet zonder riemen roeien. Maar bij het toenmalige ministerie van CRM (cultuur, recreatie en maatschappelijk werk – red.) heerste een gruwelijk onbegrip voor wat wij hadden gedaan; die kwamen met krankzinnige regelgeving voor de subsidie.” Hij gaat akkoord, zijns ondanks, en besluit dat het een mooie gelegenheid is om met pensioen te gaan. “Erkennen dat ik op mijn hoogtepunt was en stoppen. Maar het was ook wel uit kwaaiigheid. Wat een afgang van dat ministerie. Totaal onbegrip voor wat onze mensen nodig hebben.”

Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Poels ontdekt dat het huisbezoek niet meer past in het nieuwe beleid van zijn oude opvanghuis. Dus doet hij het zelf. “Dat was een bevrijding. Praktisch bezig zijn. Ik wil nooit meer grootschalig aan het werk.” Hij ontdekt dat er honger wordt geleden in zijn eigen, welvarende Tilburg. Nu fietst hij iedere nacht zo’n dertig kilometer om die mensen brood te brengen dat is overgebleven bij Tilburgse bakkers.

“Zo’n vijfhonderd mensen,” zegt hij, “degenen die hier aan huis komen meegerekend.” Subsidie van de overheid heeft hij niet en hoeft hij niet. “De Sociale Dienst geeft ons de opbrengst van de weigeraars van het kerspakket. Soms springt de Vincentius bij, soms krijgen we een gift uit een erfenis.”

Wat voor karakter je moet hebben om dit werk te doen? Poels grote gezicht staat voor het eerst deze middag op nadenken. “Niks bijzonders. Je moet bewust willen leven.”

Zijn methode? Hij lacht. “Humor en eerlijk zijn. Leuk schelden. Iemand plagenderwijs aanspreken en zeggen waarop het staat. Vriendelijk contact is de hoofdmoot van dit werk. Soms bellen mensen in de diepste ellende, die ik al veertig jaar ken. Maar geen gesprek eindigt of zij zijn in lachen uitgebarsten.”