Enkele fragmenten

Thuis, in zijn eenvoudige, wat armoedige keuken waar hij elke middag spreekuur houdt, staat Gerrit Poels op om de katten eten te geven. ‘Ik hoorde dat men bij Traverse niet zo veel fiducie heeft in de aanpak van de Stichting Broodnodig’, zegt hij, terwijl hij een blik kattenvoer opendraait. ‘Ze vinden het te weinig professioneel. En dat is ook zo. Ik wil helemaal niet professioneel zijn. Ik wil er zelf in staan. Ik heb een vertrouwensband met die mensen.’

Je bent gewoon onaangepast. Wat is er mis met professioneel zijn?
‘Professioneel zijn is zoeken naar oplossingen, eindresultaten, meetbare eindpunten. Ik heb er zo de schurft aan als politici en beleidsmakers stoer praten over resultaatgericht, keihard aanpakken, afrekenen, zero tolerance. Meestal komt dat erop neer dat mensen die in de problemen zitten worden overvraagd. Ik wil geen mensen overvragen. Ik wil ze wel uitdagen, met ze meelopen, een lokroep laten klinken dat het anders kan. Ik wil ze wat geven zodat ze misschien zelf weer verder kunnen. Dat helpt natuurlijk vaak niet, veel gevallen zijn onoplosbaar. Maar het is een aardige bezigheid.’

Uit hoofdstuk 2, Ons dagelijks brood


Je was bijna veertig jaar. Tot dan toe had je vooral te maken gehad met schooljongens en aanstaande kleuterleidsters. Schrok je niet van je nieuwe publiek? Van dronken, vervuilde, onhandelbare of heel emotionele mensen?
‘Heel gek is dat. Daar ben ik eigenlijk nooit achtergekomen: het was een zooitje, maar ik schrok er bijna nooit van. Waarom niet? Waarom was ik nauwelijks ontdaan? Misschien omdat ik zelf zo vaak het gevoel had gehad dat ik er niet echt bij hoorde, dat ik niks kon en niet nodig was.’

Uit hoofdstuk 3, Een bezield verband

 

‘Ik bleef nerveus, studeerde overdreven hard – en raakte verslaafd op doktersadvies. De huisarts zag dat ik intens gespannen was en zei: “Ga jij maar eens fijn roken”. En dat deed ik. En – dat is eigen aan mij – binnen de kortst mogelijke tijd was ik overdadig rokend, helemaal verslaafd. Het was mijn redmiddel geworden, mijn stressbestrijding, mijn rookgordijn.’

Uit hoofdstuk 4, Een slecht zittend pak


Omgaan met moeilijke mensen heeft een kernwaarde van mij blootgelegd: troost zijn. Mensen nabij kunnen zijn, ze even een beetje vertrouwen geven, of gewoon iets concreets wat ze nodig hebben. Dat ik dat mag doen, dat ik ze dat mag geven, dat troost mij. (...)
Het is misschien een afwijking, maar ik zeg gekke dingen. Ik moet zelf soms zo lachen en plaag graag een beetje. Het geeft lucht, voor mezelf en die ander, om niet alleen maar bij het probleem stil te staan. Even wat ruimte maken tussen iemand en zijn of haar ellende.’

Uit hoofdstuk 6, Zacht als klei zijn


Ga je naar de hemel?
‘Als die er is, dan is dat best mogelijk. Maar ik zeg meestal tegen de mensen: als wij alle twee dood zijn, dan komen wij samen in de hel, want ik vind het gezellig naast jou. En bovendien: ik weet niet naast wie ik het in de hemel zou uithouden, maar ik weet wel dat ik graag te maken heb met een bepaalde categorie mensen.’

En die komt eerder in de hel dan in de hemel?
‘Precies.’

Uit hoofdstuk 7, 'Jij bent me er eentje'